Wat mij al een tijdje interesseert — en wat ik hier nog niet zoveel voorbij zie komen — is hoe verschillend verschillende RC’s worden afgebroken en verwerkt in het lichaam. Niet alleen of ze binden aan bepaalde receptoren, maar wat er gebeurt ná die binding: welke metabolieten ontstaan, hoe snel die worden uitgescheiden, en welke rol de structuur daar precies bij speelt.
Neem bijvoorbeeld de verschillen tussen een tryptamine zoals 4-HO-DMT en een phenethylamine zoals 2C-B. Beiden kunnen interacties hebben met serotoninesystemen, maar de manier waarop ze gemetaboliseerd worden is heel anders — en dat heeft implicaties voor effectduur, toxiciteit en zelfs stabiliteit in opslag. Voor mensen die meer in de wetenschap dan in straatpraat geïnteresseerd zijn, blijven die nuances vaak onderbelicht.
Nog specifieker: binnen de synthetische cannabinoïden zie je dat varianten als JWH-018 en latere generaties zoals 5F-MDMB-PINACA compleet verschillende metabolieten produceren, wat deels verklaart waarom sommige generaties veel grilliger reageren bij bepaalde mensen.
Hetzelfde zie je bij dissociatieven: de manier waarop bijvoorbeeld ketamine wordt afgebroken versus iets als 3-MeO-PCP is niet alleen een kwestie van snelheid, maar van welke tussenproducten ontstaan en hoe die weer met enzymen interageren.
Ik zou graag van anderen horen:
- Welke metabolische verschillen zijn jullie opgevallen bij verschillende RC’s?
- Zien jullie patronen tussen bepaalde substituties en de manier waarop het lichaam ze verwerkt?
- Hebben jullie wetenschappelijke literatuur of interessante bronnen die hier meer licht op werpen?
Ik denk dat dit soort discussie helpt om de science achter RC’s beter te begrijpen, in plaats van alleen maar te focussen op “ervaringen” of effecten.
Het effect van een stof hangt niet alleen af van waar hij in de hersenen bindt, maar ook van wat je lichaam er daarna mee doet. Zodra een stof zijn werk heeft gedaan, probeert je lichaam hem af te breken en op te ruimen. Hoe dat gebeurt, verschilt sterk per stof en dat verklaart waarom sommige middelen kort werken en voorspelbaar zijn, terwijl andere lang blijven hangen of bij mensen heel verschillend uitpakken.
Tryptamines versus phenethylamines
Een stof als 4-HO-DMT (dit is psilocine) lijkt erg op serotonine en het lichaam herkent deze stof snel. Daardoor kan de lever deze stof relatief eenvoudig onschadelijk maken en via de urine uitscheiden. Dat past bij het beeld dat het effect duidelijk is, maar ook weer vrij schoon uitdooft.
Bij een stof als 2C-B werkt dat anders. Die heeft een heel ander profiel en moet eerst in meerdere stappen worden omgezet voordat hij het lichaam uit kan. Dat proces kost meer tijd en verschilt meer per persoon. Dat verklaart waarom 2C-B vaak langer werkt en waarom mensen de nasleep soms anders ervaren dan bij tryptamines.
Waarom synthetische cannabinoïden langzaam afbreken
Bij oudere synthetische cannabinoïden, zoals JWH-018, zie je dat het lichaam ze stap voor stap afbreekt tot vormen die daarna netjes kunnen worden uitgescheiden. Dat maakt het effect en de duur iets beter te voorspellen, al blijven ze sterk.
Bij nieuwere varianten, zoals 5F-MDMB-PINACA, zit er een soort breekpunt in de structuur. Die breekt in het lichaam snel af, maar op een manier die per persoon flink kan verschillen. Daarbij ontstaan soms tussenproducten die nog sterk werken. Dat is een belangrijke reden waarom deze nieuwere stoffen bekendstaan als onvoorspelbaar en soms gevaarlijk, zelfs bij lage doseringen.
Dissociatieven en verschillen in “nasleep”
Ketamine wordt in het lichaam omgezet in andere stoffen die deels nog actief zijn. Dat verklaart waarom het effect soms in golven lijkt te komen en waarom mensen ook na de hoofdwerking nog iets merken.
Bij stoffen als 3-MeO-PCP hangt veel af van iemands leverenzymen. Sommige mensen breken het snel af, anderen veel langzamer. Daardoor kan dezelfde dosis bij de ene persoon relatief kort werken en bij een ander extreem lang doorwerken, met meer bijwerkingen.
Patronen die je vaak terugziet
Globaal geldt dat stoffen die makkelijk te “pakken” zijn voor het lichaam sneller worden opgeruimd. Stoffen die eerst moeten worden omgebouwd, blijven vaak langer actief en geven meer variatie tussen mensen. Kleine chemische verschillen, zoals een extra fluoratoom of een andere zijgroep, kunnen dus grote gevolgen hebben voor duur, intensiteit en risico’s.
Waarom dit belangrijk is
Dit laat zien dat twee stoffen die op papier op hetzelfde systeem werken, in de praktijk heel anders kunnen aanvoelen en uitwerken. Niet omdat ze zo anders zijn in de hersenen, maar omdat het lichaam ze totaal verschillend verwerkt. Door hiernaar te kijken, begrijp je beter waarom sommige middelen relatief stabiel zijn en andere berucht om hun onvoorspelbaarheid. Dat is precies de laag onder de “ervaringen” waar de echte science begint.
Belangrijke bronnen
Ik gebruik heel veel Pubmed bronnen om onderzoeken raad te plegen. Bij NPS is de informatie vaak wel beperkt ondat de onderzoeken vooral zijn gericht op de bekendere psychedelica zoals psilocybine, LSD, ketamine en MDMA. Toch kan je wel wat informatie op Pubmed vinden zoals dit onderzoek naar 2CB.