Paddo’s vs. truffels. De term paddo’s verwijst naar de vruchtlichamen van bepaalde paddenstoelensoorten uit het geslacht Psilocybe en verwante geslachten (Panaeolus, Inocybe, Pholiotina e.a.). Deze vruchtlichamen worden boven de grond gevormd en bevatten psychoactieve stoffen, waarbij psilocybine de belangrijkste is.
Truffels (ook wel sclerotia of philosopher’s stones) zijn harde overlevingsknolletjes die door sommige soorten, zoals Psilocybe mexicana, P. atlantis en P. tampanensis, onder de grond worden gevormd. Ze bevatten dezelfde familie van tryptamine‑alkaloïden als de paddenstoelen, maar in lagere concentraties en vaak zonder vrij psilocine omdat deze stof tijdens opslag snel degradeert. Truffels worden in Nederland legaal verkocht, terwijl paddo’s (het vruchtlichaam) sinds 2008 verboden zijn.
Belangrijkste indoolalkaloïden. Psilocybine‑producerende schimmels synthetiseren een reeks 4‑substitueerde indoolalkaloïden. De belangrijkste zijn:
| Alkaloïde |
Kenmerken / rol |
Typische gehalte (drooggewicht) |
| Psilocybine (4‑PO‑DMT) |
Hoofdalkaloïde. Het is een prodrug die in het lichaam wordt gedefoforyleerd tot psilocine. |
In de biomassa van psilocybe‑soorten variëren concentraties sterk: ca. 0,0008–2,02 %; fruitlichamen van P. cubensis bevatten gemiddeld ~0,991 %. |
| Psilocine (4‑HO‑DMT) |
Actieve vorm; veroorzaakt hallucinogene effecten. Psilocybine wordt na consumptie grotendeels omgezet in psilocine. |
Gehaltes variëren van nauwelijks detecteerbaar tot ruim 1 % drooggewicht. In P. cubensis werd ~0,16 % gemeten; sommige soorten zoals P. bohemica kunnen tot 0,248 % bevatten. |
| Baeocystine (4‑PO‑NMT) |
N‑monomethylanaloge van psilocybine; vermoedelijk een zwakke psychoactieve prodrug voor norpsilocine. |
Hoogstens ~0,35 % in P. azurescens; de meeste soorten bevatten < 0,1 %. |
| Norbaeocystine (4‑PO‑T) |
De nauwelijks methylgebaseerde analoge van psilocybine; komt in kleine hoeveelheden voor. |
Meestal < 0,05 %; in P. cubensis ~0,02 %. |
| Norpsilocine (4‑HO‑T) |
Gehydrolyseerde vorm van norbaeocystine; komt in sporenhoeveelheden voor. |
In targeted metabolomics gevonden maar meestal niet gekwantificeerd. |
| Aeruginascine (4‑PO‑TMT) |
Trimethylammonium‑variant; geïsoleerd uit Inocybe aeruginascens en zeer zeldzaam in Psilocybe soort. |
Detecteerbaar op microgram‑niveau; in gedroogde P. cubensis ~0,01 %. |
| Overige verbindingen |
Beta‑carbolinen (harmane, harmine, etc.), neoechinuline A, lumichroom, diterpenoïden, aminozuren (ergothioneïne, carnitine, enz.). Deze stoffen komen in microgramhoeveelheden voor en hun bijdrage aan de werking is niet bekend. |
|
De verhouding van deze stoffen verschilt sterk tussen soorten en tussen verschillende delen van hetzelfde exemplaar (hoed vs. steel). Verder hebben bewaarmethoden invloed: psilocine degradeert snel bij blootstelling aan licht en hitte, terwijl psilocybine relatief stabiel is. In truffels werd bij LC‑MS/MS‑onderzoek slechts psilocybine aangetroffen; psilocine ontbrak door afbraak.
Chemische samenstelling per soort paddestoel
1. Psilocybe cubensis (Cubensis, golden teacher)
- Hoofdstoffen: psilocybine, psilocine, baeocystine, norbaeocystine en aeruginascine. Targeted UHPLC‑MS/MS analyse van vers en gedroogd materiaal vond gemiddeld 0,62 % psilocybine, 0,16 % psilocine, 0,06 % baeocystine, 0,02 % norbaeocystine en 0,01 % aeruginascine in gedroogde poeder. Caps bevatten hogere concentraties dan stelen.
- Variatie: in metabolomische studies is P. cubensis één van de soorten met de hoogste psilocybine‑gehalten. Cultivar “Golden Teacher” kan tot 9,913 mg/g (~0,991 %) psilocybine bevatten.
- Opmerkingen: door toevoeging van tryptamine aan het substraat kan de psilocine‑concentratie kunstmatig worden verhoogd (tot 3,3 %), maar psilocybine neemt dan sterk af.
2. Psilocybe semilanceata (Liberty cap)
- Hoofdstoffen: psilocybine en baeocystine; psilocine wordt slechts in sporenhoeveelheden gevonden. Analyses van 52 Zwitserse monsters rapporteerden psilocybinegehalten van 0,21–2,02 % en baeocystine 0,05–0,77 %; psilocine werd vrijwel niet gedetecteerd.
- Variatie: het gehalte varieert sterk per groeilocatie, leeftijd en delen van de paddenstoel.
- Opmerkingen: algemeen beschouwd als een van de meest potent aanwezige wilde Europese soorten.
3. Psilocybe azurescens (Flying Saucer mushroom)
- Hoofdstoffen: hoge concentraties psilocybine, psilocine en baeocystine. Volgens Paul Stamets’ samenvatting bevat P. azurescens gemiddeld ~1,1 % psilocybine, 0,15 % psilocine en 0,35 % baeocystine; maxima tot 1,8 % psilocybine, 0,5 % psilocine en 0,4 % baeocystine zijn gemeld.
- Variatie: HPTLC‑onderzoek rapporteerde psilocybinegehalte 0,81–1,77 % (gemiddeld 1,33 %) en psilocine 0,08–0,29 % (gemiddeld 0,20 %).
- Opmerkingen: tot de meest potente Psilocybe‑soorten; in Noord-Amerika groeit de soort op drijfhout en kustduinen.
4. Psilocybe cyanescens (Wavy cap)
- Hoofdstoffen: psilocybine, psilocine en kleine hoeveelheden baeocystine. In Noord‑Amerika varieert het totale gehalte (psilocybine + psilocine) tussen 0,66–1,96 % drooggewicht; Europese exemplaren bevatten 0,39–0,75 %.
- HPTLC‑gegevens: psilocybine 0,82–1,32 % (gem. 1,06 %) en psilocine 0,04–0,29 % (gem. 0,12 %).
- Opmerkingen: produceert opvallende wavy hoeden; wijd verspreid in stedelijke mulchbedden.
5. Psilocybe baeocystis (Bottle cap, blue bell)
- Hoofdstoffen: psilocybine, psilocine en baeocystine. Concentraties variëren van 0,15–0,85 % psilocybine, tot 0,59 % psilocine en tot 0,10 % baeocystine. Baeocystine werd voor het eerst uit deze soort geïsoleerd.
- Opmerkingen: in oudere literatuur worden hogere psilocine‑gehalten gemeld; de soort bruist blauw bij beschadiging.
6. Psilocybe bohemica / Psilocybe serbica
- Hoofdstoffen: hoge psilocybine‑ en psilocinegehalten. De variëteit bohemica bevat 1,553–15,543 mg/g (0,155–1,554 %) psilocybine en 0,027–2,485 mg/g (0,003–0,249 %) psilocine.
- Variatie: de soort vertoont grote variabiliteit; sommige analyses rapporteren psilocinegehalten tot 1 %.
- Opmerkingen: een van de meest potente Europese soorten; synoniem P. serbica wordt tegenwoordig gebruikt.
7. Psilocybe natalensis
- Hoofdstoffen: psilocybine, psilocine, baeocystine (trace), norbaeocystine (trace). In een recent HPTLC‑onderzoek van zes soorten werd voor P. natalensis een psilocybinegehalte van 0,62–1,34 % (gemiddeld 1,03 %) en psilocine 0,26–0,38 % (gemiddeld 0,30 %) gerapporteerd.
- Opmerkingen: in Zuid‑Afrika in graslanden; verwant aan P. cubensis en door DNA‑analyse soms samengevoegd.
8. Psilocybe stuntzii (Blue ringers)
- Hoofdstoffen: psilocybine, psilocine, baeocystine (trace). HPTLC data geeft 0,45–1,11 % psilocybine (gem. 0,84 %) en 0,06–0,12 % psilocine (gem. 0,09 %).
- Opmerkingen: bevat gewoonlijk minder psilocine dan P. subaeruginosa of P. natalensis; witte ring op de steel.
9. Psilocybe subaeruginosa
- Hoofdstoffen: psilocybine en psilocine. Een vroeg Noors‑Australisch HPLC‑onderzoek meldde een laag psilocybinegehalte (0,01–0,2 %) in Australische exemplaren, maar recent HPTLC‑onderzoek van gecultiveerde exemplaren vond aanzienlijk hogere gehaltes (0,67–1,58 % psilocybine; gem. 1,01 % en 0,10–0,45 % psilocine; gem. 0,26 %). De variatie lijkt dus zeer groot.
- Opmerkingen: endemisch in Australië/Nieuw‑Zeeland; soms verward met P. cyanescens.
10. Psilocybe zapotecorum
- Hoofdstoffen: psilocybine (1,09–1,89 %; gem. 1,46 %) en psilocine (0,02–0,17 %; gem. 0,10 %).
- Opmerkingen: bedekt vliesje op jonge hoed; in Mexico traditioneel gebruikt door de Zapoteken.
11. Psilocybe hoogshagenii / P. subtropicalis
- Hoofdstoffen: psilocybine en psilocine; sommige rapporten noemen baeocystine. Er zijn weinig kwantitatieve gegevens; commerciële bronnen vermelden psilocybine‑gehalten van ~0,45–0,60 % met psilocine ~0,1 %, maar deze cijfers zijn niet wetenschappelijk bevestigd.
- Opmerkingen: traditioneel gebruikt door Mazateekse sjamanen (velada‑ceremonieën).
12. Psilocybe tampanensis
- Fruitlichamen: bevatten psilocybine (tot ~1 %) en psilocine.
- Sclerotia (truffels): in verse sclerotia (70‑80 % water) werd bij LC‑MS/MS alleen psilocybine gedetecteerd; concentraties varieerden van 59–168 mg per 100 g (0,06–0,16 % vers gewicht). Drogen verhoogt het gewichtpercentage; gedroogde sclerotia bevatten ~0,31–0,68 % psilocybine en tot 0,32 % psilocine volgens oudere studies van Gartz.
- Opmerkingen: sclerotia worden in Nederland verkocht als “filosofensteentjes”.
13. Psilocybe mexicana, P. atlantis en P. galindoi (truffelsoorten, magische truffels)
- Deze soorten vormen sclerotia die worden verkocht als “magic truffles”.
- Stoffen in truffels: Truffels bevatten psilocybine als belangrijkste verbinding. Analyses van P. mexicana sclerotia rapporteerden 59–168 mg psilocybine per 100 g vers gewicht (0,06–0,16 %); sporen van psilocine werden niet gevonden.
- Droge gehaltes: omdat truffels uit ca. 70–80 % water bestaan, komt dit overeen met ~0,3–0,8 % psilocybine bij drooggewicht. De sclerotia van P. atlantis en P. galindoi zijn nauw verwant aan P. mexicana, en commerciële bronnen geven vergelijkbare sterkte (0,4–0,6 % psilocybine), maar betrouwbare wetenschappelijke data ontbreekt.
- Opmerkingen: truffels bevatten vaak ook spoorspanningen van baeocystine, norbaeocystine en aeruginascin, al zijn deze niet altijd detecteerbaar.
14. Andere geslachten
- Panaeolus cyanescens (Blue Meanie) – behoort tot het geslacht Panaeolus. In een metabolomisch onderzoek had deze soort de hoogste psilocine‑concentraties onder 42 bestudeerde stammen; psilocybinegehalte was lager dan in P. cubensis, terwijl psilocine domineerde. De soort bevat ook minor metabolieten en niet geïdentificeerde verbindingen.
- Inocybe aeruginascens – vormt psilocybine, psilocine, baeocystine en norbaeocystine, maar staat vooral bekend om de trimethylvariant aeruginascine; deze quaternaire ammonium‑verbinding is exclusief in deze soort gevonden en zou in microgramhoeveelheden voorkomen.
- Pholiotina, Conocybe, Pluteus salicinus en andere genera – bevatten voornamelijk psilocybine en psilocine; data zijn schaars en variëren per soort.
Conclusies
-
Psilocybine‑producerende paddenstoelen en truffels bevatten een complex spectrum van indoolalkaloïden. Naast het bekende psilocybine komen psilocine, baeocystine, norbaeocystine, norpsilocine en (in zeldzame gevallen) aeruginascine voor. Andere secundaire metabolieten zoals beta‑carbolinen, neoechinuline A en aminozuren worden in microgramhoeveelheden gevonden.
-
Variatie tussen soorten is groot: sommige soorten (P. azurescens, P. semilanceata, P. serbica/bohemica) bevatten >1 % psilocybine, terwijl anderen (sclerotia‑soorten) vaak <0,5 % bevatten. Psilocine komt vooral voor in
soorten zoals P. natalensis, P. bohemica en Panaeolus cyanescens; truffels bevatten meestal weinig of geen psilocine.
-
Opslag en preparatie beïnvloeden de chemie: psilocybine is redelijk stabiel maar psilocine degradeert snel; drogen en donker bewaren minimaliseert verlies.
-
Truffels vs. paddo’s: truffels (sclerotia) zijn een veilig alternatief omdat ze voornamelijk psilocybine bevatten (0,3–0,8 % drooggewicht) en weinig psilocine. Hierdoor ervaren gebruikers minder onaangename lichaams effecten zoals misselijkheid.
-
Het inzicht in de chemische diversiteit per soort is belangrijk voor wetenschappelijk onderzoek, therapeutische toepassingen en consumenteninformatie. Recente metabolomische studies benadrukken dat elke soort een uniek metaboloom heeft; men kan ze dus niet over één kam scheren.
Geplaatst : 20 februari 2026 12:56